Reizen valt niet te plannen, en zo moet het zijn

13 april 2013

Vanwege geldproblemen in Belize besloten we het land maar te verlaten en onze weg te vervolgen richting Ramon en Lotte in Honduras. In Belize willen ze geen euro’s, en ik heb me laten vertellen dat als we ze al ergens zouden kunnen wisselen er 30% commissie gerekend wordt. Plastic willen ze alleen als er Mastercard of Visa op staat, en met onze Maestro konden we bijna nergens geld pinnen. In ieder geval niet op het eiland Caye Caulker waar we op dat moment waren. De US dollars die ik vanuit Nederland had meegenomen begonnen op te raken en we moesten het land nog uit. Mexico verlaten kostte ons 50 US$, Belize 40 US$, en in Guatemala hebben we zo gezellig gebabbeld dat de man vergat ons 20 US$ te laten betalen, of ons misschien gewoon aardig vond, who knows. Anyway, Ramon en Lotte waren niet lang daarvoor in Belize geweest en stippelden zo de goedkoopste route voor ons uit. In Punta Gorda in het zuiden van Belize zouden we op een boot stappen naar Guatemala en daar op een bus naar Honduras. We besloten Guatemala later wel te gaan bekijken. Vanuit Belize City in het 6 uur reizen met een oude Amerikaanse schoolbus naar Punta Gorda. Op internet hadden we een hostel gevonden dat maar 7 euro rekent voor een dormbed dus dat konden we zelfs nog wel 2 nachten betalen. En in Punta Gorda zouden we bij een Western Union agentschap 100 euro op kunnen halen die mijn moeder naar ons had gestuurd. Inmiddels zijn we helemaal thuis in alle alternatieve methoden om aan geld te komen of te kunnen betalen, zoals Western Union en Pay Pal. Aldoende leert men, zeg ik maar.

Volgens de kaart lag het hostel bij een kruispunt waar onze bus langs zou komen dus vertelden we de helper (een bus heeft hier altijd een driver en een helper) waar we eruit wilden. Die gooiden ons er een kruispunt te vroeg uit, en het was te ver lopen dus hoopten we dat er nog een bus langs zou komen en die kwam er. Wel jammer om weer een euro te moeten betalen on such a tight budget… Op het goede kruispunt stond een halfgaar en weggeroest bord naar ‘het resort’, met een pijl richting een dirt road en 2 mijl eronder. Oeps… We reizen niet echt licht dus we baalden. Het was het einde van de middag, bloedheet, weinig kans op betaalbare accommodatie in Punta Gorda zelf dus we hadden niet veel keus dan maar gewoon te gaan lopen. We probeerden nog te liften, maar de enige pick-up truck die voorbij kwam zat al stamp vol. We waren een attractie voor de paar Maya’s die we tegenkwamen, en iedereen zei even vriendelijk gedag. Na een heuvel en ongeveer een mijl gelopen te hebben waren er langs de weg geen huizen meer te zien. Bij het laatste huis dat een eindje van de weg lag zat een vrouw met een paar kinderen. Wij haalden even de tassen van onze rug en zwaaiden naar ze. “Where are you going?”, vroeg de vrouw. “To Cuxlin Ha”, antwoordde ik. “Oh, but that’s far!”, riep ze, en ze kwam op ons afgelopen. “You have to walk for 2 miles.” We hadden al ervaren dat afstanden zelden kloppen, en de vraag hoe lang dat iets duurt hoef je al helemaal niet te stellen. De moed zonk me even in de schoenen, dus een beetje brutaal vraag ik haar of zij ons geen kamer kon verhuren. O ja hoor, wel 2, ze deed dat ook weleens aan een Amerikaan die, bleek later, het huis had betaald. Ze gebaarde ons haar te volgen om de kamers te gaan bekijken. We moesten haar er nog even van overtuigen dat 1 kamer genoeg was ondanks dat we niet getrouwd zijn, en schoorvoetend leidde ze ons naar 1 kamer. Het was een mooi huis, mooier dan je zou verwachten in zo’n kleine maya gemeenschap in the middle of nowhere. Betegelde vloer, ventilators, een koelkast en fornuis, en in de kamer een keurig opgemaakt bed alsof ze ieder moment gasten had verwacht. Toen het voor ons lastige gedeelte: wat zou ze rekenen voor een nacht? Dat moesten we maar met haar man overleggen die op dat moment binnenkwam. “40 Belize (dollar, dat is 20 US$)”, zegt hij. Teveel. “Will you take 30?” “Oh yes.” Goedkoper dan het hostel voor 2 personen, en dat ging om slaapzaal bedden. Prima dus.

We zijn er vrijdag aangekomen en maandag weer gegaan. Het hele weekend hebben ze nauwelijks begrepen uit wat voor een wereld wij kwamen (we kregen steeds vragen over Amerika), dat we nauwelijks geld hadden (alle gringo’s -Amerikanen- hebben toch geld?), dat we niet getrouwd waren maar al wel 8 maanden bij elkaar, ik 30 ben en nog geen kinderen heb, enzovoort. Omgekeerd was het voor ons een kijkje in een wereld die we alleen van televisie en boeken kennen. Ze leven daar vrijwel zelfvoorzienend, met kippetjes en varkens in de tuin. Als aanvulling op het dieet van maïs en kip ging de man de ene dag vissen en de andere jagen (op wilde kip). Er stond dus een gloednieuw gasfornuis, maar er was geen gas dus kookte de vrouw op een houtvuur in de traditionele keuken in de tuin. Ik vond het vast leuk om haar te helpen met het bereiden van het eten. Ik kon mijn gegrinnik nauwelijks onderdrukken en Dave nog minder. Ik kook namelijk nooit, en dat is geen nieuws voor iedereen die mij ook maar een beetje kent. Ik hou er ook niet van en ben een regelrechte keukenprutser. Dave daarentegen kookt heel goed en vindt het ook nog leuk, maar dat gaat er bij Maya’s niet in. Voor mannen is geen plek in de keuken. Ik zette me erover heen en had toch best zin om te leren hoe je tortilla’s en tamales maakt. Dave ook, dus de volgende dag vroeg ik voorzichtig of Dave ook mocht helpen tamales te maken. Tamales is een bereidingswijze waarbij eten gestoomd wordt in bananenblad. In dit geval was het -hoe verrassend- maïsdeeg met kip. Ze vond het prima dat hij het ook probeerde, maar was er heilig van overtuigd dat hij er niets van bakte en ik het veel beter kon en ze keek hem de keuken weer uit. Al kletsend in de keuken vroeg ze ons of we naar de kerk gingen, want er zou die avond een dienst gehouden worden in de kerk op hun erf. De man bleek pastoor in opleiding te zijn. We wisten even niet wat we moesten antwoorden. Als we in alle eerlijkheid nee zouden zeggen zouden we vast niet in achting stijgen, en er was al zoveel dat niet gemakkelijk uit te leggen was. Maar ja zeggen blijft een leugen dus zeiden we nee, het er maar weer op gooiend dat het bij ons anders gaat. Ik doe wel aan een soort van bidden -mediteren- en sinds enkele maanden is dat geen leugen. Ik was ook wel geïnteresseer in de kerkdienst, en ze vond het prima als we daarbij aanwezig zouden zijn. Op zondagochtend om 8 uur kon ook, maar wij gaven toch maar de voorkeur aan die avond. In onze beste kleren namen we plaats op plastic tuinstoelen in de met kunstbloemen, oranje glimmende stof en een lint met ‘merry christmas’ gedecoreerde kerk. Inclusief alle kinderen waren er zo’n 20 mensen, maar toch vonden ze het nodig om een enorm soundsystem neer te zetten voor het geluid. Zeker de helft van de kerkdienst stond iedereen te klappen en zo vals als je voor mogelijk houd liederen te zingen. Het was werkelijk niet om aan te horen, maar aan devotie geen gebrek. De preek was in Maya, en de pastoor bulderde er wat op los uit het boek Openbaringen. Het enige dat ik ervan heb verstaan was ‘apocalyps’.

De volgende ochtend hebben we wel 2 uur kunnen luisteren naar de ‘zangkwaliteiten’ van het dorp en de vrouw des huizes. Voor het einde besloten we weg te sluipen zodat we niet achtervolgt zouden worden door een horde kinderen om te kijken of we het resort nog konden vinden, al was het alleen maar om te weten of het nog bestond. Cuxlin Ha (zeg: Coesjlin Ha), de naam van het resort bleek ook de naam van het dorp te zijn. We ontmoetten er Gayle en Donna, een Amerikaans stel van pensioenleeftijd die er nu 16 jaar woonden. Ze boden vooral accommodatie aan missiewerkers en vrijwilligers die werken in de omgeving, maar ook aan iedere reiziger die aan kwam waaien. Accommodatie was niet meer nodig, maar het was een eindje wandelen geweest en we wilden graag wat eten. Dat was geen enkel probleem, zij gingen zelf nog ontbijten en we konden aanschuiven. Donna was een interessante persoonlijkheid en een kletser, en vertelde ons van alles over het dorp, het ontwikkelingswerk dat ze er deden en onze gastfamilie. Na een uurtje of 3 vroegen we haar ons de weg naar de rivier te wijzen en namen daar nog een kijkje.

Rio Dulce
Rio Dulce, Guatemala

De volgende dag namen we vroeg afscheid van de familie en pakten de boot naar Puerto Barrios. Toen we nog op Caye Caulker waren kwam ik erachter dat Arjen, een vriend van mij uit Nederland, in Rio Dulce was, niet ver (een uur of 2,5) van Puerto Barrios, dus besloten we een omweg te maken om hem daar te bezoeken. Rio Dulce was leuk, we konden weer pinnen, een beetje op pad met Arjen en zelfs een dagje zeilen met hem en zijn boot. Lotte begon wel geregeld te vragen wanneer we nu kwamen dus na een paar dagen vervolgden we onze weg. Reisplan: 3 minibusjes naar de grens, de grens te voet over, lift vinden naar het immigratiekantoor, daar op een bus stappen naar Puerto Cortez, en dan een bus naar San Pedro Sula. Omdat we niet wilden haasten en wilden pinnen in San Pedro wilden we daar overnachten om de volgende dag de El Mochito bus naar D&D Brewery te pakken. Met alle bagage bij in minibussen met 20 Guatemalteken op schoot, hangend aan en op de bus, plus een grensovergang zijn dat geen dagen waar ik naar uitkijk. Avontuurlijk? Ja, hartstikke, maar ook enorm vermoeiend en niet altijd even veilig. Daarbij heeft San Pedro de reputatie de gevaarlijkste stad van Honduras en daarbuiten te zijn. Met onze tassen waren we op weg naar de straat voor de eerste minibus en ging het hele reisplan nog eens door mijn hoofd. Hoe maken we met ons gebrekkige spaans duidelijk waar we eruit moeten en wat de eindbestemming is? Brutaal vraag ik aan twee mannen op straat die we eerder hadden begroet in het hostel wat het spaanse woord voor grens is. Frontera, maar dat wist ik al! Waar komt die onzekerheid vandaan? Dat kunnen we vandaag niet gebruiken. ‘Oh, jullie gaan naar Honduras, ik ga deze week ook, met een directe bus naar San Pedro Sula.’ Wat zeg je? Een directe bus?! Waar vertrekt die, en hoe laat? Bleek dat we nog een half uur hadden om aan de andere kant van de rivier te komen naar het ‘busstation’. Met een tuk tuk zou dat wel gaan lukken. Natuurlijk gaat dat net als met de minibusjes, er kan altijd nog wel iemand bij, dus propten we onszelf op de achterbank en ging de vrouw die er al in zat bij de chauffeur op schoot. We haalden de bus met gemak, en konden naar San Pedro reizen met een bus met airco en toilet, en de gelegenheid om voor iets teveel commissie vast wat quetzals te wisselen voor lempira’s. Bovendien hadden we nog genoeg tijd om te eten op het busstation in San Pedro, 5 geldautomaten te proberen die niet werkten, en de bus te pakken naar D&D Brewery (www.ddbrewery.com) waar we een zeer verraste Lotte en Ramon aantroffen die ik al 2,5 jaar niet had gezien.